Seattle en Washington – Juli 2001

posted in: Vakantie | 0

Vanochtend erg vroeg opgestaan, want het vliegtuig vertrekt om 6:40 al. Ondanks het vroege uur is het behoorlijk druk op het vliegveld. We staren een tijdje slaperig naar alle reizigers die heen en weer rennen over de terminal en worden dan wakkergeschud door de aankondiging dat het instappen kan beginnen. Klein vliegtuig weer deze keer: een 737. Het vliegtuig is ook behoorlijk vol, voornamelijk met zakenmensen zo te zien. De vlucht van zo’n twee en een half uur komt zonder veel ophef dankzij het tijdverschil rond 8 uur in Seattle aan. We lopen meteen naar de balie van Alamo, waar we na het afwijzen van de onvermijdelijke upgrade de sleutels van de huurauto in ontvangst nemen. Het huren van een auto in Seattle blijkt vrij duur te zijn. Voor deze Oldsmobile hebben we het hoogste bedrag betaald wat we tot nu toe voor een huurauto hebben moeten neertellen. Blijkbaar is Seattle hierom bekend.

We gooien de koffers achterin en besluiten meteen de stad uit te rijden richting Mount Rainier. Het weer valt mee. We hadden verwacht dat de regen met bakken uit de lucht zou vallen na alle spookverhalen hierover van collega’s. Het is echter licht bewolkt en droog. Als we buiten de drukke stadsgrens zijn beland, gaan we eerst op zoek naar een plek om te ontbijten. In onze gebruikelijk traditie zoeken we een lokaal tentje op (Charlie’s Cafe) waar veel auto’s buiten staan, maar wat geen franchise is. Het blijkt een goede keus te zijn. Lekker ontbijtje in een sfeervolle omgeving, waar een paar oudere dames de vele gasten bedienen. Een “gezellig” dikke dame komt onze bestelling opnemen, en na 10 minuten zitten we er al van te smullen. Met volle buiken gaan we weer op weg richting Mount Rainier. Onderweg zien we een pitoreske parkeerplaats en nadat we daar zijn gestopt zien we tussen de bomen door een met sneeuw bedekte Mount Rainier in all zijn glorie. Het is de enige berg met sneeuw, temidden van vele groene pieken van omringende bergen.

We hebben de smaak nu te pakken en rijden Mount Rainier National Park in, nadat de Parkwachter eerst een blik heeft geworpen op onze Golden Eagle pas. Het is een dag en nacht verschil met de drukte van Seattle. Hier is het stil en er is zelfs bijna geen autoverkeer in het park. We stoppen onderweg om een kijkje te nemen bij een waterval. Op alle mogelijke manieren probeer ik deze op de foto te zetten, want de grote val eindigt in een adembenemende regenboog. We maken een kleine wandeling in de buurt van de waterval en bij een bruggetje kunnen we een blik werpen in de donkere canyon waarin het water stroomt na de hoge val. Tussen de bomen door krijgen we zo nu en dan de gelegenheid een blik te werpen op Mount Rainier, die zelfs nu in Juli nog met sneeuw is bedekt. Verder rijdend door het park is Gepke erg onder de indruk van de bloemenpracht in blauwe, rode en gele kleuren. We stoppen regelmatig om het allemaal van dichtbij te bewonderen, en Gepke maakt regematig close-up foto’s van deze wilde bloemen. We zetten onze reis verder richting westkust, met het plan om in Raymond overnachting te gaan zoeken. Raymond staat op de kaart aangegeven als een redelijjke plaats maar in werkelijkheid is het een gehucht, waar geen hotel of motel te vinden is. We rijden verder naar Aberdeen, en hier vinden we overnachting bij de Travel Lure Motel. Geen poespas, gewoon een kamer met een bed, want we zijn na de eerste dag zo moe dat we niet meer nodig hebben. Op aanraden van de (chinese) eigenares gaan we eten bij Bridges, een restaurant waar we eerst bijna voorbij rijden en wat er aan de buitenkant niet uitnodigend uitziet. Binnen blijkt het echter best mee te vallen en het eten is er lekker. Moe gaan we terug naar het hotel waar we beiden niet meer wakker kunnen blijven.

Zaterdagochtend pakken we weer een ontbijtje onderweg, ditmaal bij JJ’s. Het tentje is piepklein en biedt slechts ruimte voor 4 of 5 tafeltjes. Buitenom heeft de eigenares bloemen in potten geplant om het een en ander een beetje aantrekkelijk uit te doen zien. Het toilet was buiten, een chemisch toilet. Over het eten kunnen we niet klagen, en met volle buiken gaan we richting kust. Langs de kustweg hebben de strandplekjes nummers gekregen, en we besluiten te stoppen bij strand 2. Een korte wandeling langs een bospad eindigt bij het strand, waar we pas kunnen komen na over een berg met omgevallen bomen te zijn geklauterd. De bomen van het bos vallen voortdurend in het water door de erosie van de getijden. Het hout stapelt zich op in de vorm van een berg boomstammen die langs de hele kust ononderbroken doorgaat. Na onze strandwandeling trekken we verder langs strand 3, 4, 5 en tenslotte 6 waar een bordje wijst naar een zeer hoge Douglas Furr (denneboom). Bij nader onderzoek blijkt deze inderdaad behoorlijk hoog te zijn: 270 voet ofwel 90 meter! Bijna zo hoog als de domtoren in Utrecht!

In Washington State wordt erg veel hout gewonnen uit de bossen, maar je ziet geen grote kale vlaktes als gevolg hiervan. Men kapt kleine gebieden, en plant voor elke gekapte boom weer vier nieuwe bomen. De nieuwe aanplant krijgt tegenwoordig zo’n 60 jaar gelegenheid te groeien voordat men het opnieuw oogst. Er staan langs de weg borden die aangeven wanneer een gebied voor het laatst geoogst is, wanneer het beplant is, en wanneer het weer geoogst zal worden. Voorbeeld: In 1927 en 1955 gekapt, 1976 uitgedund en nieuw geplant, volgende oogst in 2045. Er zijn ook grote gebieden waar men niet mag kappen en waar de natuur vrijspel heeft. Op deze plaatsen kom je de indrukwekkend grote bomen tegen van 400 jaar en soms ouder.

Na verloop van tijd rijden we Olympic National Park binnen. Overal waar we rijden worden we omsloten door een dichte haag bomen, waardoor het soms lijkt of je voortdurend in een groene tunnel rijdt. Af en toe regent het een beetje, maar de zon laat zich regelmatig zien. Het heet hier niet voor niets een “rain forest”. We stoppen om een wandeling te maken. De omgeving maakt erg veel indruk op ons en geen van beiden zeggen we een woord. Het bos doet ons herinneren aan onze wandelingen door Amelisweerd bij Utrecht, echter dan vele malen groter. Overal wordt middels bordjes met uitleg aangegeven waar je de aandacht op moet vestigen. Een omgevallen boom bijvoorbeeld, die dient als “nursery” log voor scheuten van jonge beginnende bomen. Als je een dergelijke boomstam vele jaren later ziet, is de stam zo goed als verdwenen, maar er staat dan een kaarsrechte rij met bomen op de plaats waar het is neergevallen. We rijden verder en stoppen regelmatig om de bezienswaardigheden van het bos te aanschouwen. Voortdurend proberen we alles op de foto te zetten, maar dit is net als de Grand Canyon, iets wat je in het echt moet zien.

Het is al weer laat en het wordt tijd om een hotel te zoeken voordat alles vol is. We rijden het Olympic National Park uit en gaan richting Port Angeles, een strandplaatsje ten noorden van het park. We krijgen daar de laatste vrije kamer in het Uptown Motel. Vanaf de straat hebben we uitzicht op zee, en een trap leidt naar beneden het dorp in. Blijkbaar is hier in het weekend genoeg te doen want het is erg druk met dagjesmensen. We wandelen langs kraampjes met veel goedbedoelde kitsch te koop, maar houden de aandacht bij het vinden van een plek om te eten. Die vinden we in de vorm van een Indiaas Restaurant. Het is nog te vroeg om te eten, maar we besluiten voor de zekerheid maar te reserveren. De Indiër die onze reservering opschrijft, doet dit op een papieren servetje… ik hoop dat dat werkt. We gaan eerst maar een ritje maken naar Hurricane Ridge terug in het Olympic National Park. Het is een hele steile klim en de naald van de benzinemeter die al niet meer zo vol was daalt sneller en sneller. Eindelijk zijn we dan bij het uitzichtspunt waar we een wandeling kunnen maken. Er is bijna niemand, en het is op deze hoogte knap koud. Hoewel we genieten van het uitzicht, begint het nu ook nog te regenen en we vluchten terug naar de auto. De rit naar beneden vraagt blijkbaar geen benzine, en we halen de pomp in het dorp met gemak. Tijd om het restaurant weer op te zoeken, waar onze tafel op ons wacht. We bestellen en genieten na enige tijd van de voor ons min of meer bekende gerechten. We gaan nog even bij de buren (Dairy Queen) een toetje halen in de vorm van een ijsje. Voor ons beiden was dat eigenlijk teveel, en de klim terug naar het hotel was een marteling met de veel te volle buiken. Moe en veels te vol vallen we in slaap.

Het is Zondag en we gaan weer op weg naar Seattle. De weg die we volgen gaat voornamelijk langs de kust en voor we het weten zitten we al in de eerste voorsteden van Seattle. Echter we zitten aan de verkeerde kant van de Puget Sound, en veel bruggen hebben ze hier niet. Dan maar met de veerpont. Na enig zoeken vinden we er een die ons weliswaar niet naar downtown Seattle zal brengen, maar in ieder geval naar de overkant. We varen ongeveer 40 minuten en rijden dan aan de andere zijde richting downtown Seattle. We parkeren de auto en gaan kijken wat er zoal te beleven valt. Eerst naar Pike Market Place, waar iedereen zegt dat we een kijkje moeten nemen. Inderdaad worden er met vissen gegooid, en het is er ontzettend druk. Voor ons een beetje te druk na alle rust van de national parks. We vluchten de markt uit en gaan op zoek naar wat rustiger vertier. We vinden dat bij het Seattle Aquarium, die ondanks de gevorderde leeftijd best wat te bieden heeft. Het is leuk de otters en zeehondjes hier te zien spelen, en de vistanks zitten vol met zowel lokaal als meer exotische vissen. Na enige tijd rond de pier te hebben gehangen, wandelen we via het oude stadsgedeelte weer terug naar de auto. Het is nu de kunst een betaalbare overnachting te vinden in Seattle, na alle spoookverhalen over de prijzen hier. We rijden dus maar wat verder van het centrum weg en vinden wonder boven wonder een Travellers Inn die ons voor $53 all-in een bed aanbiedt. Na alle drukte val ik op het bed in slaap terwijl Gepke wat verkoeling zoekt in het warme zwembad. Als ik wakker wordt en vraag waar we gaan eten, blijkt zij iets te hebben gereserveerd terwijl ik sliep. Het zal voor mij een verassing blijven tot aan het moment dat we op de 21ste verdieping zijn van het gebouw waar het restaurant zich bevindt. Bij de ingang worden onze namen opgenomen en de verdere avond worden we in de watten gelegd en voortdurend aangesproken met Mister Van Helden en Misses Van Helden. Het eten was van wereldklasse, hetgeen zich ook uitte in de rekening. Nou ja, we hebben een goedkoop hotel.

Het is Maandag en vandaag vertrekt ons vliegtuig weer naar Denver, maar tot die tijd moeten we ons nog even in Seattle vermaken. We maken een ritje naar Redmond waar het hoofdkwartier van Microsoft is gevestigd, maar nadat we ons bij het hoofkantoor hadden gemeld, kregen we te horen dat ze niet aan rondleidingen deden. Nou ja, dan niet. Dan maar naar Everett, waar de Boeing fabrieken zich bevinden. Hier kun je wel een rondleiding krijgen maar alle rondleidingen zijn volgeboekt tot in de middag. Daar hebben we geen zin om op te wachten. We besluiten dan maar een vroegere vlucht naar Denver te nemen, want dat rondhangen en wachten tot je wegkunt en niet weet wat te doen is ook niets. Middels een standby vlucht kunnen we een half uur nadat we op het vliegveld zijn aangekomen terug naar Denver vliegen. Gepke zit achterin en ik zit op een zogenaamde econoy-plus plaats voor in het vliegtuig. Ik heb daar maar liefst 5 inches meer beenruimte, en dat is iets wat je in een vliegtuig altijd kunt gebruiken. Voor we het weten zijn we weer thuis en denken alweer aan de volgende uitstapje.

Loek & Gepke

Share us: Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on Twitter

Leave a Reply